Dit is mijn houvast als socialist (Longread SamPol magazine)

Het is niet gemakkelijk om als bestuurder in de politiek te overleven: je moet voor jezelf voortdurend een helder onderscheid maken tussen de waarden die je nastreeft in je politieke actie en de beperkingen waar die politieke actie op botst. Wat is dan mijn gerechtvaardigd pragmatisme?

Longread over mijn politiek denken en politieke actie (SamPol Magazine juni 2026)

Het is niet gemakkelijk om als bestuurder in de politiek te overleven: je moet voor jezelf voortdurend een helder onderscheid maken tussen de waarden die je nastreeft in je politieke actie en de beperkingen waar die politieke actie op botst. Wat is dan mijn gerechtvaardigd pragmatisme?

Brecht Rogissart en Yannis Skalli-Housseini doen me in het vorige nummer van Samenleving & Politiek (mei 2026) veel eer aan door een kritische terugblik op de politieke strategie van de Vlaamse socialisten - eerst de SP, later sp.a en nog later Vooruit - op te hangen aan mijn persoon. Misschien té veel eer. Want hun betoog verplicht me om oude debatten onder het stof te halen, met mijn excuses bij de lezer dat dit onvermijdelijk pedant overkomt. Ik moet dit doen omdat Rogissart en Skalli-Housseini mijn visie op enkele punten fout weergeven, wat hun blik op de actualiteit ook vertekent.

Nogmaals over de Derde Weg

Het stuk herhaalt de vaak gehoorde analyse dat ik een aanhanger was van de Derde Weg van Tony Blair. Dat is vreemd, omdat ik in verschillende publicaties uitdrukkelijk afstand nam van belangrijke elementen van de Derde Weg.

Ik was geen aanhanger van de Derde Weg van Tony Blair

Ik had in het midden van de jaren 1990 begrip voor de politieke strategie van Blair, dat wel. De zeer linkse koers waar Labour naar afgedreven was in reactie op Thatcher, had er helaas voor gezorgd dat de Britse conservatieven 18 jaar aan de macht bleven, tot Blair de verkiezingen kon winnen met een centristische koers. Blair wilde op termijn ook de historische breuk tussen progressieve liberalen en travaillisten ongedaan maken, een breuk waar de Britse conservatieven sinds het begin van de 20e eeuw tientallen jaren van machtsuitoefening aan te danken hadden: ook dat kon je goed begrijpen vanuit de Britse geschiedenis. De Derde Weg moest die strategie ideologische onderbouwen. Blair dacht dat hij daarmee ook een succesrecept had voor alle Europese sociaaldemocraten. Dat geloofde ik niet. In 1998 schreef ik uitdrukkelijk dat ik de Derde Weg niét als een exportproduct beschouwde dat door de continentale sociaaldemocratie probleemloos verder verspreid kon worden.

Ik ergerde me ook aan de manier waarop de befaamde socioloog Anthony Giddens - de intellectuele goeroe van Blairs Derde Weg - dit gedachtegoed theoretisch rechtvaardigde. In 1998 publiceerde ik bij de Britse denktank IPPR een boekje over globalisering, ongelijkheid en sociaaldemocratie dat volledig gericht was tégen de analyse van Giddens. Mijn ergernis had vooreerst te maken met de manier waarop Giddens empirische observaties en waardeoordelen door elkaar mengde tot één onontwarbaar betoog. Giddens' verhaal ging moeiteloos over van de stelling dat globalisering klassieke doelstellingen van sociale herverdeling in welvaartsstaten onbereikbaar maakt, naar het standpunt dat sociaaldemocraten deze klassieke doelstellingen moeten verlaten. Het eerste is een empirische stelling, die Giddens mijns inziens ook overdreef. Het tweede is een normatief standpunt: of je inkomensherverdeling al dan niet nastreeft, is een waardeoordeel. Dat een doelstelling waar je principieel achter staat moeilijker te bereiken wordt omwille van sociologische of economische ontwikkelingen, maakt ze daarom niet minder waardevol.

Gerechtvaardigd pragmatisme

Dit brengt me bij een punt dat cruciaal is voor de manier waarop ik als mens in de politiek probeer te overleven: je moet voor jezelf voortdurend een helder onderscheid maken tussen waarden die je nastreeft in je politieke actie, beperkingen waar die politieke actie op botst, en het gerechtvaardigd pragmatisme waarmee je vervolgens binnen die beperkingen te werk gaat. Of beter, je moet je voortdurend afvragen of dat pragmatisme een principiële grondslag heeft en hoe die er uit ziet - of het inderdaad 'gerechtvaardigd' is.

Rogissart en Skalli-Housseini stippen aan dat ik 'naast technische discussies over de betaalbaarheid van de welvaartsstaat' vooral aandacht besteedde 'aan de abstracte morele en politieke waarden die zijn nieuw project moesten rechtvaardigen'. Ze geven daarbij niet aan waarom ik die 'abstracte morele en politieke waarden' zo hard nodig had: niet zozeer om één concreet politiek project te rechtvaardigen, maar om zinvol politiek actief te kunnen blijven. Als anker en houvast in het politieke spel.

In het doctoraat dat ik in 1999 afwerkte bij G.A. Cohen werkte ik dat verder uit. Ik onderscheidde daarin drie lagen van 'rechtvaardiging'.

Ten eerste heb je fundamentele principes van sociale rechtvaardigheid: een fundamenteel principe van rechtvaardigheid is volgens mij dat afkomst noch aangeboren talent je enig recht geven om het beter te hebben dan anderen in de samenleving - waarbij 'samenleving' eigenlijk de hele wereld omvat. Dat is, toegegeven, een radicaal principe. Maar het is wel mijn morele overtuiging.

Afkomst noch aangeboren talent geven je enig recht om het beter te hebben dan anderen

Ten tweede kan je 'rechtvaardig beleid' ontwerpen dat volledig gemotiveerd is door zo'n fundamenteel principe maar wel rekening houdt met hoe mensen zich feitelijk gedragen in de concrete samenleving. Beleid gaat over belastingen, bijdragen, uitkeringen, kinderopvang, onderwijs, regulering van de arbeidsmarkt, enzovoort. Bij het op punt stellen van beleid houd je bijvoorbeeld rekening met het feit dat de meeste mensen vinden dat ze een prijs mogen vragen voor de aangeboren talenten die zij hebben en anderen niet hebben (zelfs al verwerp ik zelf dat principe); of dat mensen er niet bij stil staan dat ze in hun kindertijd veel meegekregen hebben dankzij een stimulerende omgeving die andere kinderen mankeerden; of, meer in het algemeen, dat mensen in grote mate gedreven worden door eigen belang naast solidariteit. Met andere woorden, zelfs in een 'ideaal' beleidsschema, dat je zou ontwerpen als je het alléén voor het zeggen zou hebben in een fictieve 'ideale' regering, houd je rekening met het feit dat vele mensen niét jouw opvattingen over rechtvaardigheid delen en zich daardoor iets anders gedragen dan jij vanuit jouw ideaal zou wensen. Je zal bijvoorbeeld aanvaarden dat mensen, méér dan je lief is, 'financiële prikkels' vragen om te presteren en daarbij soms het onderste uit de kan willen halen. Je zal rekening houden met 'moral hazard' bij sociale uitkeringen, ook in gedaanten die je niet wenselijk vindt (zoals niet echt zoeken naar werk omdat je beschermd wordt door een werkloosheidsuitkering). Je kan je eigen fundamentele idealen immers niet opleggen in het dagdagelijkse leven van andere mensen. Dat introduceert een eerste laag van pragmatisme in de politieke actie. Maar bovendien zit je niet alléén in een regering.

Daarom is er een derde niveau van rechtvaardiging voor politieke keuzes en visie: je kan besluiten dat het verantwoord is om een compromis te maken over beleid met politici die vertrekken van andere fundamentele principes over rechtvaardigheid (of ander denken over hoe 'de mensen' denken) en daarom een andere mening hebben over hoe 'rechtvaardig beleid' er zou moeten uitzien. Het beleid dat je dan als compromis samen met deze politici verdedigt wordt gevoed door conflicterende opvattingen over rechtvaardigheid en/of door verschillende inschattingen over de vraag hoe mensen denken en zich gedragen. Dat is de realiteit van politieke besluitvorming in een democratie: je participeert en maakt dergelijke compromissen, of je voert oppositie en bestrijdt de compromissen die anderen maken. Beide rollen zijn nuttig, ik heb ze beide met overtuiging opgenomen.

Ik behoor tot een ouderwetse school van politici die vinden dat je een compromis dat je maakt in een regering ook moet verdedigen

Voor alle duidelijkheid, ik behoor tot een ouderwetse school van politici die vinden dat je een compromis dat je maakt in een regering ook moet verdedigen, eerder dan publiek voortdurend te beklemtonen waarin het compromis verschilt van wat je zelf zou wensen. Maar om overeind te blijven in het morsige spel van de dagdagelijkse politiek is het voor mij cruciaal dat ik zelf het onderscheid tussen de drie lagen van rechtvaardiging die ik hier kort schetste niet alleen erken, maar ook blijf beredeneren. En als je argumenten ontwikkelt voor een sociaaldemocratische politieke strategie dan moet je die gelaagde redenering ook publiek en helder op tafel leggen. Niets daarvan vond je bij de 'Derde Weg' van Anthony Giddens, waarin een amalgaam van onduidelijke waardeoordelen en feiten mij dus bijzonder tegenstak.

Keynes was niet dood

Ik was ook oneens met Giddens dat keynesiaanse macro-economische regulering binnen nationale welvaartsstaten 'onmogelijk' was geworden door een combinatie van globalisering en sociologische evoluties, en dat sociaaldemocraten deze ambitie dus moesten verlaten. Dit brengt me tot een ander punt waar Rogissart en Skalli-Housseini geen recht doen aan posities die ik in het verleden innam en vandaag nog steeds inneem.

Zoals de auteurs schrijven, publiceerde ik in de jaren 1990 een kritiek op het antiglobalisme van Ricardo Petrella dat ook de linkerzijde in de ban hield. Omdat het afstoffen van oude debatten niet bijster boeiend is, houd ik het hier bij de essentie: in het werk van antiglobalisten zoals Petrella was 'globalisering' het archetype van de externe boosdoener die ons ontslaat van een doorgedreven analyse van de sociale problemen binnen de moderne welvaartsstaten. Je kan echt niet zeggen dat de belangrijkste reden - laat staan de énige reden - waarom de Europese welvaartsstaten in de jaren 1980 en 1990 onder druk kwamen te maken had met 'globalisering': de veroudering van de bevolking, groeiende mogelijkheden en dus ook wensen op het vlak van gezondheidszorg, … dat heeft niéts te maken met globalisering.

Ik vond internationale economische coördinatie essentieel, en dat is vandaag nog steeds mijn mening

Maar mijn kritiek op de antiglobalisten hield niet in dat ik internationale economische regulering en keynesiaanse coördinatie niet essentieel vond voor het sociaaldemocratische project. Ik vond internationale economische coördinatie essentieel in het begin van de jaren 1980 (toen we in SEVI, destijds de studiedienst van de Vlaamse Socialisten, met een club jonge woelwaters werkten aan het Economische Alternatief van de SP). Dat was nog steeds mijn mening in de debatten onder sociaaldemocraten op het einde van de jaren 1990, en het is vandaag nog steeds mijn mening. Dit was overigens één van de redenen waarom ik het oneens was met de Britse protagonisten van de Derde Weg. Ik heb dit meningsverschil met de Britse pleitbezorgers van de Derde Weg uitvoerig gedocumenteerd in verschillende publicaties op het einde van de jaren 1990.

Er was een merkwaardig parallellisme tussen Giddens' inschatting van wat globalisering betekent voor de sociaaldemocratie, en Petrella's inschatting: beiden gingen ervan uit dat globalisering de handelingsmogelijkheden van nationale overheden sterk beknotte, en de doelstellingen van traditionele nationale welvaartsstaten en herverdelingsagenda's onbereikbaar maakte. Ik heb die defaitistische stelling bestreden en daarom in die periode nogal wat op papier gezet over globalisering. Daarbij beklemtoonde ik - contra sommige Blairites - de rol van instituties, zoals het sociale overleg binnen welvaartsstaten, en de noodzaak van 'economisch bestuur' door de EU.

Rogissart en Skalli-Housseini suggereren dat ik me bij mijn kritiek op antiglobalisten zoals Petrella neerlegde bij de dominantie van de vrije markt en de dynamiek van internationale concurrentie. Dat is een selectieve lezing. Niet alleen vond ik het belangrijk te beklemtonen dat de samenleving geen markt is. In de jaren 2000 heb ik veel energie besteed - in publicaties en in politieke actie - aan het bestrijden van een onevenwicht in de basisarchitectuur van de Europese Unie, waardoor een cruciale eigenschap van onze nationale welvaartsstaten bedreigd werd.

Kort samengevat, kwam dat onevenwicht erop neer dat de Europese Unie alleen maar een onderscheid zag tussen 'markt' en 'staat', en geen eigen plaats gaf aan de intermediaire zone, tussen markt en staat, waarin bijvoorbeeld onze Belgische ziekteverzekering en non-profitorganisaties (zoals onze ziekenfondsen) functioneren. Deze tendens riskeerde te leiden tot een zeer beperkende visie op hoe je solidariteit in welvaartsstaten concreet organiseert: alleen herverdeling door de staat zou dan nog kunnen ontsnappen aan allesoverheersende vrijemarktprincipes in de interne markt van de Europese Unie. Samen met anderen heeft dit politieke gevecht onder meer geleid tot de bekende 'horizontale sociale clausule' in het Verdrag van Lissabon.

Het ontstaan van de actieve welvaartsstaat

Maar ik keer nog eens terug tot Giddens. Ik was het oneens met de suggestie van Giddens dat de nood aan klassieke sociale uitkeringen grotendeels zou verdwijnen door investeringen in menselijk kapitaal, waarbij je mensen maximaal uitrust om doorheen hun levenscyclus om te gaan met verandering. De actieve welvaartsstaat heeft fatsoenlijke uitkeringen nodig. Mijn visie op 'de actieve welvaartsstaat' was een èn-èn verhaal: de welvaartsstaat van de 21ste eeuw zou veel meer moeten investeren in menselijk kapitaal en ondersteunende dienstverlening, maar de idee dat werkloosheidsuitkeringen of invaliditeitsuitkeringen daarbij overbodig zouden worden vond ik naïef en misleidend. Net zoals de idee dat klassieke instrumenten van inkomensherverdeling, zoals progressieve belastingen, minder belangrijk zouden worden.

De actieve welvaartsstaat heeft fatsoenlijke uitkeringen nodig

Toen de eerste Nederlandse vertaling van Giddens' boek over de Derde Weg uitkwam in België was ik dus ontzet over het feit dat de titel van zijn hoofdstuk over 'The Social Investment State' vertaald was in 'De actieve welvaartsstaat'. Ja, ik was een pleitbezorger van 'sociaal investeringsbeleid' en de activering die daarbij hoort. Ja, ik geloof dat mensen ook individuele verantwoordelijkheden hebben en dat je ze moet toerusten om die zo goed mogelijk te kunnen opnemen. Ja, ik denk dat simpele 'gelijkheid in uitkomsten' botst met sociale rechtvaardigheid. Maar voor mij was de actieve welvaartsstaat een ander en rijker begrip dan de sociale investeringsstaat van Giddens. Ook daarover heb ik uitvoerig geschreven, en het is merkwaardig dat Rogissart en Skalli-Housseini dat niet oppikken.

Wél was ik samen met andere sociale wetenschappers kritisch voor de erfenis van de oude Bismarck in ons sociaal beleid en dus kritisch voor een aantal aspecten van het vaak geroemde 'Rijnlandmodel'. Dat Bismarckiaanse Rijnlandmodel had gebreken: het was niet goed voor de emancipatie van vrouwen op de arbeidsmarkt; het was 'statusbevestigend' door het bestendigen van scheidingslijnen tussen arbeiders, bedienden en ambtenaren; en het legde te veel de nadruk op 'cash' en te weinig op emanciperende 'dienstverlening en ondersteuning'. Mijn voorkeur ging inderdaad uit naar het Scandinavische model, dat destijds een beter en sterker evenwicht vond tussen bescherming via uitkeringen en emancipatie via sociale investeringen en activeringsbeleid.

De vaststelling dat het klassieke Rijnlandmodel op het einde van de jaren 1990 niet goed uitgerust was voor de sociale problemen van de 21ste eeuw, was geen pleidooi voor etatisme, voor een minder belangrijke rol van het middenveld. In het Scandinavische model spelen vakbonden ook een zeer belangrijke rol - op sommige punten zelfs een rol die belangrijker is dan bij ons. Vandaar ook het belang van het gevecht om actoren die noch 'staat' noch 'markt' zijn een volwaardige plaats te geven in het beleid van de Europese Unie.

Ik kan slechts één excuus bedenken voor het hardnekkige misverstand dat ik bij de eeuwwisseling een waterdrager van de Britse Derde Weg was. Ik vond het inderdaad, samen met een reeks vrienden in de Europese sociaaldemocratie, belangrijk dat we als sociaaldemocraten een gemeenschappelijk sociaal project zouden ontwikkelen voor de Europese Unie. De nederlaag van de Britse conservatieven in 1997 opende daarvoor een onuitgegeven window of opportunity.

Ondanks meningsverschillen waren er interessante inhoudelijke convergenties tussen de evoluerende opvattingen van continentale sociaaldemocraten in de jaren 1990 en de Derde Weg van Blair: die evoluerende opvattingen weerspiegelden sociologische evoluties en uitdagingen in onze welvaartsstaten die we in heel Europa deelden. De contacten die ik had met sommige mensen rond Blair, met de Nederlandse PvdA van Wim Kok en de Portugese socialisten onder leiding van Antonio Gutteres maakten het mogelijk om samen aan die weg te timmeren. Dat heeft geleid tot sociale ankerpunten in het Verdrag van Lissabon en de zogenaamde Strategie van Lissabon - een geschiedenis van vallen en opstaan (of beter, opstaan en dan weer vallen) waarvoor de plaats hier ontbreekt. Ik kijk, voor alle duidelijkheid, kritisch terug op de Lissabonstrategie.

Wie nooit van mening verandert …

Ik kan het de lezer niet kwalijk nemen als hij deze reactie op Rogissart en Skalli-Housseini nogal pedant vindt: het lijkt ongetwijfeld alsof ik vooral 'mijn eigen gelijk' wil verdedigen, alsof ik nooit over iets van idee veranderd ben. Dat is wel het geval.

Hun terugblik op de geschiedenis van het 'Economische Alternatief' van de SP roept warme herinneringen op. Samen met generatiegenoten in onze studiedienst, met Louis Tobback, Norbert De Batselier en Freddy Willockx heb ik toen een stevige campagne opgezet in de interne keuken van onze beweging om dit Alternatief in 1983 gepubliceerd en goedgekeurd te krijgen. Het koninginnenstuk was het pleidooi voor een algemene arbeidsduurvermindering tot 32 uur werken per week. We hadden nauwkeurig becijferd hoe dat economisch haalbaar zou zijn: we beschouwden het alternatief als een voorstel om te besturen, als ik me deze knipoog naar de titel van Rogissart en Skalli-Housseini mag veroorloven, niet als een voorstel om louter oppositie mee te voeren. Om een radicale arbeidsuurvermindering te financieren, voorzagen we een belasting op vermogens maar ook een 'tewerkstellingsbijdrage' die alle inkomens boven een bepaalde drempel zou treffen, met een progressief tarief. Van de loontrekkenden zou 40% tot 45% deze progressieve bijdrage betalen - dus, een beetje inkomen inleveren in ruil voor arbeidsduurvermindering. De toenmalige leiding van het ABVV was absoluut niet enthousiast over het plan, precies omwille van dit loonoffer bij beter verdienende werknemers, maar we zetten toch door.

De toenmalige leiding van het ABVV was absoluut niet enthousiast over ons Economisch Alternatief van 1983

Na de goedkeuring van het plan door ons partijcongres kon ik niet anders dan vaststellen dat het enthousiasme in de brede samenleving voor dergelijke algemene, lineaire arbeidsduurvermindering beperkt was. Ooit zijn er in ons land grote sociale bewegingen geweest om de arbeidsduur te verminderen. Mijn conclusie in de jaren 1980 was uiteindelijk dat er, blijkbaar, na het bereiken van de kaap van een werkweek van 40 uur geen grote mobilisatiekracht meer uitging van pleidooien om de arbeidsduur voor iedereen verder te verminderen. We leefden in de jaren 1980 meer en meer in een samenleving met naast voltijds werk ook deeltijds werk, en waarin individuele aspiraties m.b.t. een wenselijke en haalbare werkweek duidelijk verschilden. Een eis om naar 32 uur te gaan voor iedereen oefende weinig aantrekkingskracht uit op het grote publiek.

Let wel, dat was mijn intuïtieve conclusie enkele jaren na de publicatie van het Alternatief, ze was niet gebaseerd op wetenschappelijke evidentie. Ze betekent ook niet dat een pleidooi voor arbeidsuurvermindering daarom nooit zinvol is: de vraag is hoe zo'n proces in de samenleving van vandaag zijn beslag krijgt, als je het wenst. Ik denk dat de samenleving tot op zekere hoogte 'maakbaar' is, maar we botsten toen met ons Alternatief wel op de limiet van een mechanische maakbaarheid, waarbij je van bovenaf patronen van arbeidstijd dicteert.

Ik stemde onlangs tegen mijn zin in met het verder versoepelen van de zondagsrust

Voor alle duidelijkheid, ik ben een koele minnaar van het verlies van collectieve ritmes in de samenleving en heb daarom tegen mijn zin ingestemd met het verder versoepelen van de zondagsrust, zoals onlangs beslist werd door de regering waar ik nu deel van uitmaak - maar dat is nog een ander debat.

Een socialisme van belangen of van waarden?

Als ik terugkijk, dan situeert de belangrijkste evolutie in hoe ik zelf denk over socialisme zich tussen het midden van de jaren 1970 en het einde van de jaren 1980. Ik geloof niet dat ik daarin bijzonder origineel ben, maar het gaat wel om een fundamentele vraag over de betekenis van 'links'. Zeer schematisch kan je het beginpunt en het eindpunt van die evoluerende opvatting als volgt samenvatten: het beginpunt is nog schatplichtig aan een klassieke marxistische analyse waarbij 'socialisme' samenvalt met 'de belangen van de arbeidersklasse'; het eindpunt is er één waarbij je je houvast zoekt in opvattingen over rechtvaardigheid, niet meer in 'de belangen' van 'een klasse'.

Zoals Rogissart en Skalli-Housseini aangeven, heeft John Rawls me daarbij geïnspireerd. Het parcours van G.A. Cohen, een socialistische academicus die evolueerde van analytisch marxisme naar een focus op normatieve opvattingen over rechtvaardigheid (met daarbij ook een diepgaande kritiek op Rawls) heeft me daarbij sterk aangetrokken. Het radicalisme van Cohen in zijn zoektocht naar een consistente opvatting over sociale rechtvaardigheid was ook de reden waarom ik een doctoraat bij hem ging schrijven in Oxford.

Nu, opnieuw om misverstanden te vermijden: het is niet omdat een opvatting over rechtvaardigheid je anker vormt, dat 'belangen' geen rol spelen in je politieke actie. Partijpolitieke actie veronderstelt dat groepen in de samenleving kunnen zien dat je hun zorgen deelt en hun legitieme belangen verdedigt. Maar, wat een legitiem belang is, is ook een kwestie van sociale rechtvaardigheid: niet elke eis van een groep die je als partij verdedigt, is meteen een legitiem belang. Het is overigens goed om weten dat Rawls een 'ongeschoolde arbeider' als voorbeeld heeft gegeven van de zwakste 'positie' in de samenleving, die een rechtvaardige samenleving dus zo sterk mogelijk moet maken: Rawls redeneerde dus ook in termen van maatschappelijke groepen.

Die normatieve opvattingen over rechtvaardigheid hebben me - in het spoor van Cohen - doen nadenken over de rol van 'persoonlijke verantwoordelijkheid', zoals ik onlangs heb beschreven in een zelfkritische terugblik. Mijn visie op de verhouding tussen 'persoonlijke verantwoordelijkheid' en 'solidariteit' is geëvolueerd. Enerzijds wil ik nu de verzekeringsdimensie van het sociaal beleid herwaarderen (in contrast met wat ik daarover schreef in het midden van de jaren 1990, bijvoorbeeld in mijn kritieken op Petrella), wat betekent dat je niet geobsedeerd mag zijn door moral hazard. Anderzijds waarschuw ik voor een eenzijdige opvatting over persoonlijke verantwoordelijkheid, waarbij alleen wie zwak staat in de samenleving afgerekend wordt op verantwoordelijkheid - uitgerekend de opvatting van sommige coalitiepartners in de Arizona-regering.

Ik ontken niet dat er een grote spanning is tussen hoe ik principieel denk en wat mogelijke politieke compromissen zijn

Ik ontken dus niet dat er een grote spanning is tussen hoe ik principieel denk en wat mogelijke politieke compromissen zijn in het Europa, België en Vlaanderen van vandaag. Een kritisch debat over de politieke praktijk van Vooruit moet daarover gaan.

De welvaartsstaat blijven verdedigen

Rogissart en Skalli-Housseini schrijven dat onze 'verdediging van de welvaartsstaat' ironisch genoeg 'de deur opende voor besparingsregeringen onder Dehaene, Verhofstadt, en nu De Wever'. De regering-Verhofstadt was geen 'besparingsregering', maar dit terzijde. Wat wel juist is, is dat wij de welvaartsstaat verdedigen: we doen dat, omdat we haar essentieel vinden én omdat we de verantwoordelijkheid voor de toekomst ervan niet van ons af kunnen schuiven. Ik veronderstel dat de auteurs ons dat niet verwijten. Ze maken daarbij een grote bocht rond interne dynamieken van moderne welvaartsstaten: veroudering, groeiende zorgbehoeften, wat immigratie betekent als uitdaging voor gelijke kansen, de nood aan kinderopvang van topkwaliteit, ... en de vraag welke keuzes en hervormingen daardoor nodig zijn als je een sterke welvaartsstaat wilt.

Voor zover ik het begrijp, zijn we als partij belast met de erfzonde dat we 'de politieke wens om het globaliseringsproces te coördineren' op een bepaald punt 'verloren' zijn. Dat we ons willen aanpassen aan de globale economie, zou de verklaring zijn van besparingen, indexsprongen en beperkingen op de sociale partners... Voor die stelling, dat 'de globale economie' de bron is van alle druk op de welvaartsstaat, de grote boosdoener die we moeten temmen, wordt geen begin van empirisch bewijs geleverd: ik voel me bij het lezen van zo'n passage inderdaad terug bij het debat dat ik 30 jaar geleden voerde met de aanhangers van Petrella ... En ik vind het even weinig overtuigend.

Wil dat zeggen dat we als socialisten alleen maar een visie hebben op de welvaartsstaat, op het sociale beleid in enge zin? Natuurlijk niet. Economisch beleid, industrieel beleid, klimaatbeleid, duurzaamheid, … houden ook politieke keuzes en visie in. Dat is zowel een regionaal, een nationaal als - in belangrijke mate - een Europees gevecht.

We voeren dagelijks het gevecht en het loopt niet van een leien dakje

Dat gevecht voeren we, dagelijks, en het loopt niet van een leien dakje. Denk aan de voortdurende aanvallen van de rechterzijde, Europees en bij ons, op alles wat samenhangt met het klimaatbeleid en de Green Deal, die net door een sociaaldemocratische Eurocommissaris, Frans Timmermans, bedacht en op punt gesteld is. Het unieke hieraan is net dat socialisten dit koppelen aan de welvaartsstaat. Er is in Europa geen enkele andere stroming die deze rol kan opnemen. Dat gevecht krijgt vandaag een bijkomende dimensie: in de wereld van Trump, Poetin en Xi Jinping moeten we Europese strategische autonomie op de agenda zetten, of het nu gaat over geneesmiddelen of defensie. Je hoort me niet zeggen dat we vandaag als socialisten een voldoende sterke visie hebben op ecologie, economie en strategische autonomie. Maar, als je vandaag ook op dat debat enige impact wenst, dan moet je als relatief kleine linkse partij ook in coalities stappen met partijen die daar heel anders over denken dan wij.

Dat voert ons terug naar het begin van het verhaal: het Economische Alternatief waarmee de SP in 1983 uitpakte, stond niet in het teken van eeuwige oppositie. Het was geschreven voor een partij die bestuursverantwoordelijkheid wenste. We hebben die verantwoordelijkheid genomen, toen en nu. De gewetensvraag is of het pragmatisme dat je daarbij beoefent gerechtvaardigd is. Daarover helder denken, met alle nuances die daarbij horen, probeer ik te doen. Met vallen en opstaan.

BRONNEN