Is de gynaecoloog van gisteren nog de gynaecoloog van morgen?

Beste gynaecologen,

Dames en heren,

Het is een eer om hier vandaag tot u te spreken op het congres van de Vlaamse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie, met als centraal thema:

Is de gynaecoloog van gisteren nog de gynaecoloog van morgen?

Dat is een goede vraag. En vooral: het is een noodzakelijke vraag.

Jullie zijn artsen.

Velen onder jullie zijn chirurg.

Jullie zijn opleiders.

En velen onder jullie combineren de klinische praktijk ook met onderzoek.

Jullie begeleiden vrouwen op momenten van verwachting, pure blijdschap, onzekerheid, hoop en kwetsbaarheid.

Jullie zijn aanwezig wanneer nieuw leven zich aandient.

Jullie begeleiden zwangerschappen, bevallingen en moeilijke diagnoses.

Jullie behandelen kanker, vruchtbaarheidsproblemen, endometriose en complexe gynaecologische aandoeningen.

Jullie zijn vaak vertrouwenspersonen op bijzonder intieme en bepalende momenten in een mensenleven.

Dat maakt uw discipline bijzonder.

Gynaecologie en obstetrie behoren tot de meest brede medische disciplines die er bestaan. Het gaat over chirurgie, beeldvorming, reproductieve geneeskunde, oncologie, prenatale diagnostiek en perinatale zorg. Maar evenzeer over luisteren, uitleggen, geruststellen, begeleiden en moeilijke keuzes bespreekbaar maken. Het gaat ook over klaarstaan voor wanneer het heel plots, heel fout kan lopen.

En precies daarom komt de toekomst van uw discipline in aanraking met bijna alle grote uitdagingen van de gezondheidszorg van morgen.

Hoe organiseren we samenwerking tussen gynaecologen, vroedvrouwen, huisartsen en ziekenhuizen zonder onduidelijkheid over verantwoordelijkheden?

Hoe zorgen we ervoor dat innovatieve en kwaliteitsvolle zorg betaalbaar blijft binnen een solidair systeem?

Hoe organiseren we perinatale zorg op een manier die kwaliteitsvol, veilig, toegankelijk blijft?

Hoe zorgen we ervoor dat kwetsbare zwangere vrouwen sneller de juiste begeleiding krijgen?

Dat zijn zeer concrete vragen die vandaag al op tafel liggen.

Eerst wil ik stilstaan bij de sterktes van ons gezondheidszorgsysteem, maar ook bij de druk waaronder het vandaag staat. Waarna wil ik ingaan op de grote hervormingen die voor ons liggen: de nomenclatuur, de ziekenhuisfinanciering en de organisatie van het ziekenhuislandschap.

En vooral wil ik focussen op enkele thema’s die uw discipline rechtstreeks raken: de organisatie van perinatale zorg, het interfederaal programma voor kwetsbare moeders, de concentratie van complexe oncologische zorg en endometriose, alsook het belang van evidence based werken en respectvolle zorg.

Een heel programma, maar we hebben tijd.

 

  1. Een sterk systeem dat we moeten beschermen

België beschikt vandaag over een uitstekende gezondheidszorg.

Toegankelijk.

Menselijk.

En gedragen door sterke zorgverleners.

Dat systeem is niet toevallig ontstaan.

Het is het resultaat van investeringen. Van sociale zekerheid. Van overleg. Van wetenschappelijke vooruitgang. En vooral: van generaties zorgverleners die verantwoordelijkheid hebben opgenomen.

België heeft ook een sterke traditie van medisch overleg.

We hebben structuren gebouwd waarin artsen mee aan tafel zitten bij beslissingen over honoraria, kwaliteitskaders, conventies en sociaal statuut. Dat overlegmodel is niet perfect. Het is soms traag. Soms complex. Soms frustrerend. Maar het is waardevol.

Want dankzij dat overlegmodel konden we een evenwicht zoeken tussen individuele vrijheid en solidariteit. Tussen zorg als roeping en zorg als beroep. Tussen medische autonomie en maatschappelijke verantwoordelijkheid.

Dat evenwicht moeten we beschermen.

Maar beschermen betekent niet: alles laten zoals het is.

Beschermen betekent soms ook hervormen.

 

  1. Een systeem in beweging

Vandaag staat dat systeem onder druk.

De zorgvraag groeit. De bevolking veroudert. Chronische aandoeningen nemen toe. Zorgvragen worden complexer.

Ook de administratieve last neemt toe, terwijl digitale systemen nog te vaak onvoldoende afgestemd zijn op de praktijk.

Daarnaast veranderen ook de verwachtingen van patiënten.

Patiënten zijn mondiger. Ze zoeken informatie op. Ze stellen vragen. Ze willen betrokken worden bij beslissingen. En terecht. Maar tegelijk confronteert dat ons ook met moeilijke vragen. Hoe ver gaan we in het bespreken van alle mogelijke risico’s van een behandeling, of net van het nièt behandelen? Hoe gaan we om met de onzekerheid die inherent deel uitmaakt van de medische praktijk — welke onzekerheid dragen artsen, en welk deel leggen we bij patiënten?

Tegelijk neemt de druk op zorgteams toe.

Niet alleen op artsen, maar ook op verpleegkundigen, vroedvrouwen, administratieve medewerkers en andere zorgberoepen. In ziekenhuizen wordt het steeds moeilijker om permanenties, omkadering en continuïteit te garanderen.

Ook de manier waarop zorgverleners naar hun beroep kijken, verandert. We zien meer groepspraktijken, meer multidisciplinaire samenwerking en meer aandacht voor werkbaarheid, evenwicht en duurzame loopbanen. Dat is geen teken van minder engagement. Het is een maatschappelijke evolutie die we ernstig moeten nemen. Goede zorg vraagt ook zorgverleners die hun beroep op een haalbare manier kunnen blijven uitoefenen.

En dus rijst de vraag: hoe organiseren we zorg zodat kwaliteit, toegankelijkheid en werkbaarheid samen overeind blijven?

Niet door nostalgie.

Niet door slogans.

Niet door elk probleem afzonderlijk op te lossen.

Maar door het zorgmodel zelf kritisch te bekijken.

De wereld van morgen zal anders zijn dan vandaag.

Dat geldt voor technologie.

Voor patiëntenverwachtingen.

Voor financiering.

Voor arbeidsorganisatie.

En ook voor ziekenhuizen.

De vraag is dus niet of er verandering komt. De vraag is hoe we die verandering organiseren.

Doen we dat reactief, onder druk van crisissen?

Of doen we dat doordacht, met data, overleg en visie?

Ik kies resoluut voor dat laatste.

 

  1. Verandering en solidariteit

Bijsturingen zijn dus nodig. En ze zullen nodig blijven.

De geneeskunde verandert snel. Nieuwe diagnostische en therapeutische mogelijkheden laten toe om aandoeningen vroeger op te sporen, beter te behandelen en patiënten langer en beter te begeleiden.

Dat is een enorme vooruitgang.

Maar die vooruitgang heeft ook een kost. Nieuwe technologie, nieuwe geneesmiddelen, nieuwe behandelingen en langere zorgtrajecten wegen op het budget.

Dat is geen reden om innovatie af te remmen. Integendeel. Maar het verplicht ons wel om keuzes te maken.

Want ik wil geen geneeskunde met twee snelheden.

Ik wil geen systeem waarin innovatieve zorg enkel toegankelijk is voor wie ze zelf kan betalen.

Ik wil geen gezondheidszorg waarin inkomen bepaalt welke behandeling iemand krijgt.

Ik geloof zeer sterk in ons sociaal zekerheidsmodel. Een model dat voor iedereen financieel toegankelijke zorg aanbiedt. Een model dat georganiseerd wordt binnen het RIZIV, via overleg tussen zorgverleners en mutualiteiten als vertegenwoordigers van de patiënt.

Maar solidariteit vraagt verantwoordelijkheid.

Als we willen dat dit systeem overeind blijft, moeten we het durven hervormen.

 

  1. Het budgettaire kantelpunt

We bevinden ons vandaag op een budgettair kantelpunt.

We moeten daarbij het grotere plaatje zien. We leven in geopolitiek onzekere tijden. Er zijn bijkomende investeringen nodig in defensie en veiligheid. Dat zet druk op het globale budget van ons land. En dan wordt uiteraard ook gekeken naar grote uitgavensectoren, waaronder de gezondheidszorg.

Dat betekent niet dat gezondheidszorg geen prioriteit is.

Integendeel.

Maar het betekent wel dat we meer dan ooit moeten aantonen dat middelen doelmatig worden ingezet.

We kunnen ons geen verspilling permitteren.

Niet omdat zorgverleners spilziek zouden zijn. Dat is mijn boodschap niet. Maar omdat systemen na verloop van tijd complex worden. Historische financieringsmechanismen stapelen zich op. Prikkels blijven bestaan, ook wanneer ze niet langer aansluiten bij wat we vandaag als goede zorg beschouwen.

We moeten middelen vrijmaken om te blijven investeren in kwaliteitsvolle zorg, innovatie, preventie, chronische zorg.

Maar dat kan niet door elk jaar eenvoudigweg meer middelen toe te voegen zonder de organisatie van de zorg in vraag te stellen.

Meer preventie is nodig.

Minder administratie is nodig.

Betere digitalisering is nodig.

Maar dat alleen zal niet volstaan.

We woeten echt hervormen.

Dat zal soms schuren. Dat is mijn verantwoordelijkheid. Maar het is onze gezamenlijke opdracht.

 

  1. Hervormen met overleg en feiten

Laat mij duidelijk zijn.

Hervormen betekent niet dat de overheid boven de hoofden van zorgverleners beslist.

Integendeel.

Wanneer we spreken over de toekomst van de gezondheidszorg, moeten we samen rond de tafel zitten: zorgverleners, ziekenhuizen, wetenschappelijke verenigingen, mutualiteiten, patiëntenorganisaties en overheid.

En hervormen kan alleen op basis van feiten.

We hebben data nodig over kosten, kwaliteit, toegankelijkheid, zorgzwaarte en uitkomsten. Niet om zorgverleners te controleren om te controleren. Wel om betere beslissingen te nemen.

We hebben zorg nodig die beter georganiseerd is, beter afgestemd tussen disciplines, en sterker gericht op preventie, continuïteit en vertrouwen.

Dat is de basis waarop ik wil werken.

 

  1. De nomenclatuurhervorming

Ik wil nu ingaan op een eerste grote hervormingswerf: de hervorming van de medische nomenclatuur.

De nomenclatuur is vandaag bijzonder complex. Ze is historisch gegroeid en bevat verschillen die niet altijd nog logisch of uitlegbaar zijn.

Daarom hervormen we ze.

Die hervorming heeft meerdere doelstellingen.

Ten eerste willen we de transparantie verbeteren.

Vandaag omvat een nomenclatuurprestatie vaak zowel het professionele werk van de arts als een deel werkingskosten. Dat onderscheid is onvoldoende duidelijk.

We knippen dat nu door en maken onderscheid tussen een professioneel gedeelte en een duidelijk afgelijnd kostendekkend -en transparant berekend- gedeelte voor de medische prestatie. Het professioneel gedeelte wordt aldus een zuiver honorarium. Het kostendekkend gedeelte blijft voor ambulante prestaties aan de arts toekomen om de kosten van de prestatie te dekken. Voor opgenomen patiënten wordt het kostendekkend gedeelte overgeheveld naar het ziekenhuisbudget.

Ten tweede willen we historische scheeftrekkingen wegwerken.

Verschillen in honorering kunnen gerechtvaardigd zijn door complexiteit, verantwoordelijkheid of risico. Maar bepaalde historische verschillen zijn vandaag moeilijk nog inhoudelijk te verantwoorden, zeker wanneer technische verstrekkingen structureel sterker gewaardeerd worden dan overleg, opvolging of multidisciplinaire afstemming met patiënten.

Ten derde willen we een financieringsmodel dat beter aansluit bij het zorgmodel van morgen: meer continuïteit en meer multidisciplinair werken. Daarbij moeten we ook voldoende rekening houden met disciplines die steunen op intensieve permanenties en 24/24u-beschikbaarheid, zoals binnen de verloskunde. Aandacht voor correcte wachtvergoedingen en toezicht tijdens de arbeid maken mee deel uit van die bredere hervormingsoefening.

De technische uitwerking loopt al geruime tijd binnen het RIZIV, ondersteund door externe experten en onderzoeksteams.

Voor veel disciplines werden relatieve waardeschalen uitgewerkt op basis van duur, complexiteit en risico. Daarnaast worden de directe werkingskosten van medische prestaties in kaart gebracht op basis van analytische gegevens uit ziekenhuizen.

Ik begrijp dat dit vragen oproept.

Voor artsen.

Voor ziekenhuizen.

Voor ziekenhuisdirecties.

Ook vragen over conventionering, over de leefbaarheid van bepaalde praktijkmodellen, en over de economische organisatie van ziekenhuizen zijn legitiem en moeten ernstig genomen worden.

Daarom moet dit zorgvuldig gebeuren. Met continu overleg.

Maar de richting is noodzakelijk: meer transparantie, meer rechtvaardigheid en een nomenclatuur die beter aansluit bij de zorg van vandaag en morgen.

 

  1. Ziekenhuisfinanciering en het ziekenhuislandschap

De nomenclatuurhervorming hangt nauw samen met de hervorming van de ziekenhuisfinanciering.

Het huidige systeem is bijzonder complex en grotendeels retrospectief opgebouwd. We willen evolueren naar een eenvoudiger en transparanter model, met een meer prospectief karakter.

Een model gebaseerd op objectieve kosten en verantwoorde inzet van middelen.

Concreet werken we toe naar meer “all-in” forfaits per pathologie, gebaseerd op zorggerelateerde activiteiten.

Die forfaits omvatten onder meer onderdelen van het ziekenhuisbudget, geneesmiddelen, medische hulpmiddelen en werkingskosten van medische prestaties.

Belangrijk is dat dit geen blinde forfaitarisering wordt. We moeten rekening houden met complexe patiënten, outliers en sociaaleconomische kwetsbaarheid.

Ook hier geldt: het doel is niet om zorg af te bouwen.

Het doel is om middelen beter in te zetten.

Een systeem dat hoofdzakelijk volume beloont, is niet langer houdbaar. We moeten evolueren naar een financiering die samenwerking, gepaste zorg en verantwoord middelengebruik ondersteunt.

Tegelijk moeten we nadenken over het ziekenhuislandschap van morgen.

Dankzij medische innovatie verschuift steeds meer zorg naar daghospitalisatie of ambulante zorg. Dat is positief voor patiënten. Maar het betekent ook dat het klassieke ziekenhuis verandert.

Het ziekenhuis van morgen wordt meer een hooggespecialiseerd diagnostisch en therapeutisch platform binnen een breder netwerk.

België telt vandaag 103 algemene ziekenhuizen, verspreid over ongeveer 190 sites.

De vraag is of al die sites in de toekomst dezelfde opdracht moeten blijven opnemen.

Dat is geen eenvoudige vraag. Maar we moeten ze wel stellen.

 

  1. Concentratie van zorg: ovariumtumoren

Het uitgangspunt is voor mij duidelijk: nabijheid van zorg waar mogelijk, concentratie van zorg waar nodig. Steeds met het oog op kwaliteit en veiligheid.

De analyses van het Kankerregister bevestigen wat eerder ook uit verschillende rapporten van het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg bleek: voor zeldzame en complexe kankers bestaat een relatie tussen het behandelingsvolume van een ziekenhuis en de overlevingskansen van patiënten.

Die bevindingen onderstrepen het belang van gespecialiseerde expertise en multidisciplinaire samenwerking, en dat debat moeten we ernstig voeren.

Concreet voor eierstokkankers, een dossier dat u uiteraard nauw aanbelangt: u weet dat het KCE in 2022 al opriep tot concentratie van zorg in referentiecentra, met publicatie van een set van 15 indicatoren die werden berekend voor alle ziekenhuizen.

We gaan daar mee aan de slag. Momenteel voeren we intens overleg over de organisatie van de zorg voor hoofd- en halstumoren, en vervolgens nemen we ook de concentratie van zorg voor eierstokkankers op.

Daarbij wil ik stap voor stap te werk gaan, steeds in overleg: eerst de beschikbare data over uitkomsten, dan de kwaliteitscriteria, en vervolgens de organisatie van de zorg.

Ik moet u ook niet vertellen dat zulke trajecten vaak op aanzienlijke weerstand op het terrein botsen, en dat juridische procedures die worden aangespannen één van de belangrijkste factoren zijn die maken dat dergelijke hervormingen moeilijk snel vooruitgaan.

Laat mij tegelijk duidelijk zijn: concentratie van complexe zorg betekent niet dat alle zorg gecentraliseerd wordt.

Dat betekent dat veel zorg dicht bij de patiënt moet blijven. Consultaties, opvolging, diagnostiek, dagbehandeling en nazorg kunnen vaak lokaal of regionaal georganiseerd worden.

Maar voor complexe, zeldzame of hoogrisicovolle zorg is concentratie nodig. De kern van hoogcomplexe zorg moet gebeuren waar voldoende expertise en ervaring aanwezig zijn. Met duidelijke afspraken en correcte doorverwijzing.

Diezelfde logica geldt overigens ook voor andere domeinen binnen de gynaecologie. Ook bij endometriose zien we hoe belangrijk het is om multidisciplinaire expertise samen te brengen en patiënten — vaak in complexe casussen — toe te leiden naar zorgverleners met voldoende ervaring om te beoordelen wanneer ingrijpen aangewezen is, en wanneer net niet.

 

  1. Endometriose: van erkenning naar concrete organisatie

Laat me daar meteen verder op ingaan, op endometriose.

U weet beter dan wie ook dat endometriose nog te vaak een aandoening is die onzichtbaar blijft. Een aandoening die dikwijls verkeerd begrepen wordt, maar die voor veel vrouwen dag na dag een bijzonder voelbare realiteit is.

Het gaat over pijn. Over vermoeidheid. Over vruchtbaarheidsproblemen. Over onzekerheid. Over werk, school, relaties en levenskwaliteit.

In juni 2023 ontving ik vrouwen met endometriose op mijn kabinet in Brussel. Hun getuigenissen waren bijzonder waardevol. Op dat moment werkte het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg aan een studie over endometriose.

In april 2024 werd dat rapport gepubliceerd. De conclusie was duidelijk: de zorg voor endometriose moet beter georganiseerd worden.

Niet alleen omdat te veel vrouwen jarenlang wachten op een correcte diagnose, maar ook omdat patiënten vandaag nog te vaak niet op het juiste moment bij de juiste expertise terechtkomen. Er is nog te veel onduidelijkheid over waar patiënten best worden behandeld, welke zorg zij precies nodig hebben en wanneer multidisciplinaire expertise echt aangewezen is.

We weten bovendien dat complexe vormen van endometriose een doorgedreven expertise en samenwerking tussen disciplines vragen. Tegelijk moeten we vermijden dat elke patiënt automatisch in een zwaar multidisciplinair traject terechtkomt. Niet elke vrouw heeft nood aan een uitgebreid expertisecentrum of een multidisciplinair consult met alle disciplines rond de tafel. Zorg moet proportioneel, gelaagd en afgestemd zijn op de concrete noden van de patiënt.

Daarom hebben we gekozen voor een nationaal plan endometriose, verankerd in het federale regeerakkoord.

We werken op verschillende sporen.

Meer sensibilisering en opleiding.

Snellere en beter gestandaardiseerde diagnostiek.

Duidelijke zorglijnen en doorverwijzing.

Een gelaagd zorgnetwerk.

En de erkenning van gespecialiseerde endometrioseklinieken en expertisecentra.

Ook de financiering moet volgen. Complexe chirurgie en multidisciplinaire begeleiding vragen tijd, expertise en organisatie. Daarom werken we ook aan een aangepaste nomenclatuur voor endometriosechirurgie, iets waar velen onder u al lang op aandringen. Dat komt eraan.

Daarnaast zetten we in op kwaliteitsopvolging, registratie en transparante uitkomstmetingen.

Dit plan maken we samen: met verschillende onder u die hier vandaag aanwezig zijn, met het RIZIV, het KCE en patiëntenvertegenwoordigers.

Op 4 februari 2026 vond de kick-off plaats van de nationale stuurgroep. Sindsdien wordt gewerkt binnen zes werven: organisatiestructuur, nomenclatuur van chirurgie, kwaliteitsborging, sensibilisering, patiënteninformatie en betaalbaarheid van behandelingen.

De opdracht is helder: de expertise versterken, de organisatie verbeteren en vrouwen sneller naar de juiste zorg leiden.

 

  1. De eerste duizend dagen - interfederaal perinataal programma voor kwetsbare moeders

We concentreren onze inspanningen daar waar het misschien het meeste telt: bij het begin van het leven.

De invloed van de eerste duizend dagen na conceptie op de rest van het leven is vandaag duidelijk aangetoond. Die periode is bepalend voor latere gezondheidskansen, maar beïnvloedt ook ontwikkeling, schoolkansen en bredere levensperspectieven.

Daarom zetten we de voorbije jaren sterk in op een meer geïntegreerde en gecoördineerde aanpak van perinatale zorg, met bijzondere aandacht voor kwetsbare zwangere vrouwen en jonge gezinnen. Ons doel is helder: kwaliteitsvolle, coherente en toegankelijke begeleiding aanbieden, afgestemd op de noden van vrouwen en hun gezin.

Kwetsbaarheid is daarbij niet altijd zichtbaar. Het kan gaan over armoede, taalbarrières, psychische problemen, intrafamiliaal geweld, verslaving of een beperkt sociaal netwerk. Net daarom is vroegtijdige detectie zo belangrijk.

In 2024 heeft het Verzekeringscomité overeenkomsten gesloten met de gefedereerde entiteiten om het interfederaal programma perinatale zorg en de eerste 1.000 dagen van het kind op het terrein uit te rollen. Binnen dat programma worden zwangere vrouwen systematisch gescreend op psychosociale risicofactoren. Wanneer een kwetsbaarheid wordt vastgesteld, kunnen bijkomende prenatale raadplegingen, zorgcoördinatie en interdisciplinair overleg worden georganiseerd.

Dat is een belangrijke stap vooruit in de integratie van zorg tussen het federale niveau en de deelstaten, al vraagt zo’n geïntegreerde aanpak uiteraard ook een complexe organisatie en nauwe samenwerking op het terrein.

De uitrol wordt ondersteund door implementatiecoaches. In Vlaanderen gebeurt dat samen met de zorgraden, Born in Belgium en de Vlaamse expertisecentra Kraamzorg, die via ziekenhuizen en eerstelijnsactoren sensibiliseren en informeren.

Intussen is ongeveer 80 procent van de Vlaamse ziekenhuizen partner geworden van Born in Belgium en implementeren zij het programma of hebben zij de intentie om dat te doen. Dat is een signaal van engagement vanuit het terrein.

Tegelijk zien we dat er nog belangrijke marge in de uptake mogelijk is. In april van dit jaar werden in Vlaanderen 1.325 zwangere vrouwen gescreend, in Brussel 229. Dat aantal stijgt maand na maand. Vandaag bereiken we echter nog slechts ongeveer 11 tot 13 procent van alle zwangere vrouwen. Minder dan de helft van de screenings gebeurt vandaag in het eerste trimester, terwijl net vroege detectie zo belangrijk is.

De resultaten tonen tegelijk waarom dit programma noodzakelijk is. In Vlaanderen blijkt bij ongeveer 60 procent van de gescreende vrouwen minstens één kwetsbaarheidsfactor aanwezig te zijn. In Brussel loopt dat aandeel op tot 75 procent. Dat bevestigt hoe noodzakelijk het is om psychosociale kwetsbaarheid systematisch en proactief bespreekbaar te maken tijdens de zwangerschapsopvolging.

En precies daar speelt u een cruciale rol. Gynaecologen zijn vaak één van de eerste en meest systematische contactpunten tijdens een zwangerschap. U kan mee het verschil maken door vrouwen toe te leiden naar screening, samenwerking rond kwetsbaarheid te ondersteunen en binnen ziekenhuizen en zorgnetwerken mee draagvlak te creëren voor deze aanpak.

Daarom wil ik vandaag ook een duidelijke oproep doen om hier samen verder de schouders onder te zetten.

Kwaliteitsvolle perinatale zorg berust op een vlotte en respectvolle samenwerking tussen gynaecologen, vroedvrouwen, huisartsen, pediaters, verpleegkundigen, sociale diensten en andere betrokken zorgverleners.

Iedereen draagt daarin bij vanuit zijn expertise, in het belang van zwangere vrouwen en hun kind.

Die multidisciplinariteit betekent niet dat iedereen hetzelfde doet. Ze vraagt net een goede afstemming van zorgtrajecten, duidelijke communicatie en een echte cultuur van samenwerking: tussen disciplines, tussen eerste en tweede lijn, tussen formele en informele zorg, en vooral ook mét de zwangere vrouwen zelf.

 

  1.  perinataal traject voor laagrisico zwangerschappen: iederéén voldoende zorg, niemand te veel zorg

Parallel aan perinataal programma voor kwetsbare moeders zijn we bezig met de herziening van het perinatale traject voor laagrisicozwangerschappen.

De gesprekken zijn ondertussen al verschillende maanden lopende binnen een werkgroep waarin gynaecologen, huisartsen en vroedvrouwen vertegenwoordigd zijn. Daarbij wordt bekeken hoe we kunnen evolueren naar een meer gelaagd en gemengd financieringsmodel voor dit traject. De bedoeling is om de komende periode eerst het organisatiemodel verder af te kloppen, waarna uiteraard ook de financiering verder moet worden uitgewerkt.

Ik weet dat dit debat gevoelig ligt.

België heeft vandaag een sterk perinataal systeem, met goede uitkomsten. De rol van de gynaecoloog, de continuïteit van zorg en de mogelijkheid om snel op te schalen bij complicaties vormen daarbij belangrijke sterktes.

Maar tegelijk moeten we ook eerlijk durven kijken naar hoe we zorg vandaag organiseren. Bij laagrisicozwangerschappen zien we soms een zeer intensieve medische opvolging, met herhaalde consultaties of echografieën binnen gespecialiseerde zorg, terwijl dat niet altijd noodzakelijk is vanuit medisch oogpunt. Tegelijk zijn er ook vrouwen die net te laat of onvoldoende toegang vinden tot begeleiding en opvolging.

Een goed zorgpad moet precies daar een antwoord op bieden: iedereen voldoende zorg, niemand te veel zorg.

Binnen de regering is afgesproken dat we de rol van vroedvrouwen in de opvolging van laagrisicozwangerschappen verder willen versterken. Maar dat betekent niet dat we de rol van de gynaecoloog willen verzwakken. En het betekent ook niet dat we zomaar buitenlandse modellen moeten kopiëren, want we hebben hier een eigen context, een eigen ziekenhuislandschap en een eigen organisatie van zorg.

Daarbij blijven een aantal fundamentele vragen centraal staan.

Wie doet wat?

Wanneer is specialistische betrokkenheid nodig?

Hoe organiseren we snelle opschaling wanneer risico’s toenemen?

Hoe zorgen we voor duidelijke verantwoordelijkheid en goede informatiedeling?

Net daarom is het belangrijk dat we dit traject samen met het terrein uitwerken. We luisteren naar de expertise en ervaring van de betrokken zorgverleners.

U bent partners in deze hervormingen, vanaf de eerste conceptuele denkoefeningen tot de concrete uitwerking op het terrein.

Daarom wil ik van deze gelegenheid ook gebruikmaken om u te bedanken. Niet alleen voor uw dagelijkse inzet voor patiënten, maar ook voor de constructieve samenwerking met mijn kabinet en onze gezondheidsadministraties.

De inzet is uiteindelijk eenvoudig: een goed georganiseerd zorgtraject waarin iedere zorgverlener vanuit zijn expertise bijdraagt aan kwaliteitsvolle en veilige zorg voor zwangere vrouwen en hun kind.

 

  1. Evidence based werken en respectvolle zorg

Laat me ter afsluiting nog twee punten aanhalen.

Vooreerst het belang van evidence-based werken, en de wijze waarop er binnen VVOG hiermee omgegaan wordt.

We spreken vaak over therapeutische vrijheid. En terecht: het is een fundamenteel principe binnen de geneeskunde. Maar therapeutische vrijheid betekent niet absolute vrijblijvendheid. Ze gaat hand in hand met verantwoordelijkheid: van elke arts mag verwacht worden dat zorg gebaseerd is op wetenschappelijke evidentie, kwaliteitsopvolging, transparantie en een verantwoord gebruik van middelen die zoals we weten, beperkt zijn.

Daarom wil ik ook even het werk van de VVOG rond Clinical Guidances expliciet waarderen.

Het feit dat vele collega’s binnen uw vereniging voortdurend werken aan contextualiseren van richtlijnen, dat er jaarlijks een Clinical Guidance Meeting wordt georganiseerd, en dat nieuwe richtlijnen zorgvuldig en evidence based worden aangepast aan onze Belgische context, met veel input van assistenten die op die manier van meet af aan kritisch leren omgaan met richtlijnen, is bijzonder belangrijk, en daarvoor wil ik u feliciteren.

Een tweede punt is respectvolle zorg.

Vertrouwen staat centraal in uw discipline. Daarom moeten we ook luisteren wanneer patiënten aangeven dat ze zich onvoldoende gehoord, onvoldoende geïnformeerd of onvoldoende betrokken voelden bij beslissingen over hun zorg.

Respectvolle zorg betekent duidelijke communicatie, geïnformeerde toestemming en aandacht voor de beleving van patiënten. Het gaat over een zorgrelatie gebaseerd op vertrouwen, gezamenlijke besluitvorming en wederzijds respect.

Ik heb vernomen dat jullie binnenkort samen met de Vrouwenraad het evenement “Respectvolle Zorg” organiseren. Het is goed dat zorgverleners, patiëntenorganisaties en andere betrokkenen daar samen in gesprek gaan over thema’s zoals informed consent en refusal, meldpunten, communicatie en andere actuele uitdagingen binnen de zorg.

Dat zijn ook precies de thema’s die centraal stonden in de werkzaamheden van de interfederale werkgroep rond gynaecologisch en obstetrisch geweld. Ik wil daarbij benadrukken dat vertegenwoordigers uit uw sector actief hebben deelgenomen aan die werkzaamheden, samen met patiëntenverenigingen, overheden en andere zorgactoren.

Die aanbevelingen leggen terecht de nadruk op communicatie, geïnformeerde toestemming, gezamenlijke besluitvorming, opleiding en goede arbeidsomstandigheden voor zorgverleners. Ze vormen een belangrijke basis om dit thema verder constructief aan te pakken. Ook in het nieuwe nationale actieplan tegen gendergerelateerd geweld voor de periode 2026-2030 zal bekeken worden hoe hier verder gevolg aan kan worden gegeven.

De essentie blijft voor mij dezelfde: verder bouwen aan een zorgcultuur gebaseerd op vertrouwen, respect, kwaliteit en samenwerking tussen zorgverleners en patiënten.

 

  1. Tot slot: samen vooruit

Beste gynaecologen,

Dames en heren,

De komende jaren zullen belangrijke veranderingen met zich meebrengen.

Dat zal soms schuren.

Maar ik geloof dat we de gesprekken hierover sereen en met overtuiging kunnen voeren.

Als we vertrekken vanuit dezelfde visie: dat België een sterke, solidaire en toegankelijke gezondheidszorg moet behouden.

Een zorgsysteem dat innovatie omarmt, maar niemand achterlaat.

Een systeem waarin wetenschappelijke evidentie centraal staat, maar de mens nooit vergeten wordt.

Ik geloof dat hervormingen alleen kunnen slagen wanneer zorgverleners zich gehoord voelen, wanneer overleg ernstig genomen wordt en wanneer we beslissingen onderbouwen met voldoende gegevens uit de praktijk, vanuit zorgverleners, ziekenhuizen én patiënten.

Dat is de weg die ik wil volgen.

Ik dank u voor uw dagelijkse inzet.

Voor uw engagement.

En voor uw bereidheid om mee na te denken over de gezondheidszorg van morgen.

Ik maak nu graag voldoende tijd voor uw vragen en hopelijk ook suggesties, waarop ik uiteraard zo goed mogelijk zal proberen te antwoorden.

Dank u wel